Agens

Coxiella burnetii behoort tot de familie der Rickettsiales en is verwant aan de legionella- en de francisella-bacterie. Het is een obligaat intracellulair levende, kleine gram-negatieve bacterie (0,2-0,4 µm breed , 0,4-1.0 µm lang). Er zijn zeven stammen. In Europa bestaan andere stammen dan bijvoorbeeld in de VS.

Een belangrijke eigenschap van C. burnetii is de antigene variatie ten gevolge van gedeeltelijk verlies van het lipopolysaccharide (LPS). Dit fenomeen is belangrijk voor de serologische differentiatie tussen acute en chronische Q-koorts. In principe zijn er twee antigene fases (die bepaald worden door de variatie van het lipopolysaccharide op het membraan). Bij infectie van de gastheercel treedt een verandering op van fase I-antigeen naar fase II-antigeen. Fase I is infectieuzer, wordt moeilijker in de cel opgenomen en overleeft langer. Fase II-antigeen wordt beter gefagocyteerd en daarom stijgen de IgM-fase II-antistoffen eerder dan de fase I-antistoffen. Bij een acute of recente infectie staan de fase-II antistoffen op de voorgrond en is de titer daarvan hoger dan die van de fase I-antistoffen. De IgM-antistoffen komen als eerst op. Fase II-antistoffen kunnen langer dan een jaar persisteren. Bij een chronische infectie staan fase I-antistoffen op de voorgrond met een hogere titer dan die van de fase II-antistoffen.

Het micro-organisme wordt over de gehele wereld aangetroffen, behalve in Antarctica en Nieuw-Zeeland. In Duitsland vond men een cyclisch patroon: tussen 1947 en 1999 trad iedere vijf tot tien jaar een verhoogde piek op (Hellenbrand 2001). Tijdens het lammerseizoen in de lente en de vroege zomer is er mogelijk sprake van een piek van menselijke infecties.

De bacterie heeft een lage virulentie, maar ook een lage infectieuze dosis (1 organisme zou genoeg kunnen zijn om besmet te raken). Er kan daarnaast een resistente sporevorm ontstaan. De sporevorm kan ook extracellulair overleven. Inactivatie gebeurt pas bij verhitting tot 73 graden Celsius gedurende 15 seconden of bij verhitting tot 63 graden Celsius gedurende 30 minuten.

Niet alleen in Nederland, maar ook in Duitsland en Frankrijk zijn plotseling optredende epidemieën beschreven, zelfs in gebieden waarin de aanwezigheid van de Coxiella allang bekend was. De reden van deze plotseling veranderende virulentie is onbekend. In Nederland zou het samen kunnen hangen met de schaalvergroting van de geitenteelt: er zijn enkele bedrijven waar duizenden geiten aanwezig zijn. Daarnaast zijn de stallen open, omwille van het dierenwelzijn, en van het potstaltype. Dat betekent dat de geiten alles doen op dezelfde strolaag zoals als plassen, zich ontlasten en lammeren. De hele laag wordt dus besmet. Bij het verwijderen en wegrijden van deze stro/mestlaag kan een enorme belasting van de omgeving optreden.




(update febr 2010)