AIDS - HIV

Infectie met het retrovirus HIV (Humaan Immunodeficientie Virus) leidt zonder behandeling na verloop van jaren bijna altijd tot een ernstige immunosuppressie. Dit kan leiden tot het ziektebeeld Aids (Acquired ImmunoDeficiency Syndrome) en tot overlijden.

In 1981 werden de eerste aids-gevallen als zodanig herkend bij jonge voorheen gezonde homoseksuele mannen in de Verenigde Staten. In 1983-1984 werd het retrovirus HIV-1 als etiologisch agens geïsoleerd en in 1985 was de eerste routinetest voor herkenning van antistoffen in serum beschikbaar. In 1986 werd het HIV-2 in West Afrika geïsoleerd.

Sinds 1981 is veel onderzoek gedaan, wat helaas nog niet geleid heeft tot een curatieve therapie. Ook is er nog geen effectief vaccine beschikbaar. Op het gebied van de antiretrovirale therapie is er gelukkig wel grote vooruitgang geboekt. Het gaat met name dan om de zogenaamde combinatietherapie. Helaas is deze therapie niet in staat de HIV geïnfecteerde patiënt te genezen, maar is wel effectief in het remmen van de virusreplicatie, waardoor de schadelijke aantasting van het immuunsysteem, en daarmee het ziekteproces tot stilstand komt.

Als gevolg van deze effectieve combinatietherapie HAART (High Activity AntiRetrovirale Therapy) is in de Westerse wereld de HIV gerelateerde mortaliteit sterk gedaald en wordt de diagnoseAIDS nog maar zelden gesteld. In tegenstelling tot Afrika en andere endemische gebieden, wordt HIV in de westerse wereld steeds meer als een chronische ziekte beschouwd

De HAART medicatie moet dan wel levenslang gebruikt worden. Verder komen er in de literatuur steeds meer aanwijzingen dat dit niet probleemloos is. Ofwel door de chronische virale onderdrukking of door de bijwerkingen van de HAART, zijn er steeds meer aanwijzingen voor een verhoogd risico op onder andere cardiovasculaire complicaties en bepaalde maligniteiten. Door de onjuiste perceptie dat het maar een chronische aandoening betreft, is er weer een stijging zichtbaar van onveilig seksueel gedrag. Met name in de groep van homoseksuele mannen.

Voorkomen
Mondiaal gezien moet HIV infectie gezien worden als één van de belangrijkste infectieziekte. Vooral in Afrika heeft de epidemie een catastrofale omvang aangenomen', met een ontwrichtende werking op zowel de maatschappij als de economie.van landen zoals bijvoorbeeld Zuid Afrika, Botswana en Malawi. Ook in Azië, en in het bijzonder in Thailand, is het aantal HIV geinfecteerdenden de laatste jaren explosief gegroeid.

Aantal HIV en AIDSgevallen in verschillende landen: 
De WHO schatte eind 2003 dat in totaal ongeveer veertig miljoen mensen met HIV geïnfecteerd waren, waarvan 580.000 geïnfecteerden in West Europa.(LCI)

Gegevens eind 2005 (HIV boek, www.unaids.org):

  • Sub-Sahara 25.800.000; 
  • Zuid en Zuid Oost Azië 8.300.000;
  • Oost Europa en Centraal Azië 1.600.000;
  • Latijns Amerika 1.800.000;
  • Oost Azië 870.000;
  • Noord Afrika en Midden Oosten 510.000; 
  • Noord Amerika 1.200.000; 
  • Caribbean 300.00; 
  • West en Centraal Europa: 720.000; 
  • Australië, Nieuw Zeeland en Pacific region 74.000.

Totaal bijna 42.000.000.

Ten opzichte van cijfers in Afrika en Azië, is de epidemie in Nederland klein van omvang. Geschat wordt dat er 16.400 mensen leven met HIV. Tot juni 2005 zijn ruim 10600 HIV geïnfecteerden aangemeld: in 2004 zijn ruim 900 nieuwe HIV diagnoses gesteld (zie RIVM rapport, december 2005).

Sinds 1983 zijn er 4150 personen in Nederland aan Aids overleden. Sinds 1997 is het aantal overledenen gestabiliseerd tot circa 90 per jaar.

Pathogenese
De pathogenese is complex en multifactorieel bepaald.

Na de primaire infectie met het HIV virus, wat soms gepaard kan gaan met een “griepachtig”klinisch beeld, vaak met lymphadenopathie, vermenigvuldigt het virus zich door het lichaam. Een gerichte, vooral cellulaire immuunresponse, probeert de virusreplicatie te onderdrukken. Echter omdat het virus gemakkelijk onder deze immunologische druk muteert, wordt de HIV infectiezodoende chronisch.

Het natuurlijk verloop van een HIV infectie kenmerkt zich dan ook door een geleidelijke achteruitgang van met name de cellulaire immuniteit met uiteindelijk AIDS als gevolg. Hoewel erg variabel en afhankelijk van een groot aantal factoren (type virus, HLA typering etc.) is het gemiddelde interval (natuurlijk beloop) tussen besmetting en AIDS 1-15 jaar.

Transmissie
HIV wordt overgebracht van mens op mens via bloed / bloed, bloed / slijmvliescontact.

Naast bloed kunnen de volgende lichaamsvloeistoffen HIV bevatten: liquor cerebrospinalis, peritoneaal vocht, pleuravocht, synoviaal vocht, sperma, vaginal secreet, vruchtwater.

Dus niet via zweet, tranen, urine. 

Het risico van overdracht stijgt met de virale load van de bron. 

Tijdens de acute, primaire fase van de HIV infectie, welke gekenmerkt wordt door een hoge viral load (>100 miljoen copies/ml) en soms klinische klachten, is de bron het meest besmettelijk. Serologische diagnostiek is in dit stadium nog niet bruikbaar omdat de humorale  antilichaamontwikkeling nog niet detecteerbaar is.

Er zijn vijf mogelijke transmissiewegen:

  • Onbeschermd seksueel:
  • Injectie of transfusie van besmet bloed of bloedproducten (infectie door KI, orgaantransplantatie is ook mogelijk)
  • Het gebruiken van ongesteriliseerde naalden, die eerder bij een geïnfecteerde gebruikt zijn. (injecties, tatoeage, prikaccidenten)
  • Moeder/kind overdracht (gedurende de zwangerschap, bij de geboorte en door borstvoeding; verticale transmissie)
  • Iedere andere overdracht van geïnfecteerd bloed (bv via verwondingen)

Transmissie vindt relatief vaak plaats bij gezondheidszorgmedewerkers en laboratoriumpersoneel. Hoewel in deze setting de kans op transmissie uiterst gering is: gemiddeld 0,3 % bij bloed bloedcontact aan een positieve bron. (Landelijke Richtlijn Prikaccidenten)

Sinds de invoering van PEP (Post Exposure Prophylaxe, bestaande uit ART= antiretrovirale therapie), is er in Nederland geen seroconversie meer na een snij/prikaccident gemeld.