Bloed
In principe kan ieder biologisch agens dat aanwezig is in het bloed van een gastheer (mens of dier) worden overgedragen. Ongeacht of de gastheer zelf wel of niet ziek is of symptomen heeft door dat biologische agens. Meestal houdt men alleen rekening met dezelfde agentia waar de bloedtransfusiedienst alle bloeddonoren en bloedproducten op test:
- HIV
- Hepatitis B
- Hepatitis C
- HTLV 1 en 2 (humane T-lymfotrope virussen)
- CMV
- Syfilis
Maar
Niet te testen valt op prionen (bijvoorbeeld de ziekte van Creutzfeldt-Jacob). En de bloedtransfusiedienst test niet op alle mogelijk, door bloed overdraagbare, biologische agentia terwijl voor de overdracht wel een risico aanwezig kan zijn. Denk dan bijvoorbeeld aan het risico op Q-koorts en hepatitis E. Het ministerie van VWS schonk aan deze risico’s in februari 2011 extra aandacht.
Risicovolle situaties
Het risico van overdracht via bloed lijkt het hoogst in situaties waar men veel met potentieel besmet bloed in aanraking komt. Denk daarbij aan het werken in diagnostische laboratoria en misschien ook wel op de obductieafdelingen en werken in de uitvaartsector.
Het risico op overdracht hangt samen met
- de hoeveelheid bloed afkomstig van de bron,
- de viral of bacterial loads daarvan,
- de ouderdom van het bloed en
- daarmee samenhangend de overlevingskracht van het agens,
- de aard van het agens,
- de relatieve en absolute vochtigheid, de temperatuur en omgevingsinvloeden als ultraviolette straling, de pH en de aanwezigheid van chemische stoffen.
- Tenslotte is ook de aard van de verwonding van de ontvangende partij (bloeding, diepte, breedte) van belang.
Een goede risicoinventarisatie en –evaluatie biedt de basis voor goed afgewogen beheersmaatregelen.
Bloed als bron van organismen
Van nature behoort bloed geen micro-organismen te bevatten. Zijn deze wel aanwezig, dan is bij de bron sprake van besmetting, hoewel die niet altijd gepaard gaat met symptomen van de ziekte. Er zijn dus symptoomloze dragers: dat zijn de gevaarlijkste bronnen omdat ze niet herkenbaar zijn, noch voor zichzelf noch voor de omgeving. Als de bron wel bekend is, en deze verleent medewerking aan bloedafname, dan valt met redelijke zekerheid te zeggen of er een potentieel gevaar is of niet. De bepaling aan de bron is overigens niet altijd betrouwbaar: het betreft hier immers een momentopname.
Boosdoeners
Het gaat in hoofdzaak om hepatitis B en C, HIV.
Kiza heeft voor u een overzicht van andere mogelijke micro-organismen in bloed. Bij prik- en bijtaccidenten moet volgens een landelijk protocol gehandeld worden.
Transmissie
Besmet bloed vormt meestal geen gevaar als het op intacte huid komt. Bij slijmvliescontact is er meer gevaar. Ook bij inslikken van bloed ligt het ingewikkelder: kleine wondjes in de mond kunnen dan van belang zijn. Daarnaast spelen de overlevingsmogelijkheden van het micro-organisme in de diverse milieus met verschillende zuurwaarde (pH) een rol. Na inslikken van bloed bestaat de hoogste kans op pathologie bij bloed besmet met de bekende pathogenen voor het maagdarmkanaal. Bij inhalatie van aerosolen, zoals in laboratoria bij het centrifugeren zonder adequate voorzieningen, kunnen alle bekende longinfecties ontstaan.
Het hoogste risico op overdracht via bloed treedt op bij diepere snij-, steek- en prikverwondingen want dan wordt het organisme rechtstreeks in de bloedbaan gebracht.
Wat betreft het gebruik van protocollen
Het is niet voldoende alleen de richtlijn ergens in de kast of op een website te hebben staan!
Ten eerste moet ieder bedrijf zelf een afspraak maken voor een goede uitvoering van het protocol in de praktijk. Dat betekent dat de werkgever een contract met een instelling(ziekenhuis) in de buurt moet hebben voor 24-uurs beschikbaarheid in geval van een incident. Immers, bij een hoog HIV-risico moet liefst binnen 2 uur met het toedienen van PEP begonnen worden. Dat moet door deskundige en ervaren professionals gebeuren (artsen) en de PEP moet aanwezig zijn op de eerste hulp. In de praktijk is gebleken dat vooral buiten de normale werkuren niet altijd aan deze voorwaarden voldaan kan worden.
Er zijn verschillende landelijke organisaties actief die beogen de juiste zorg te stimuleren. Maar toch moet de werkgever zich ervan vergewissen dat er direct beschikbare hulpverlening aanwezig is.
Denk ook aan de psychische impact bij bloed-bloed contact
Naast een adequate technische uitvoering moet men ook een goede psychische begeleiding regelen. Een prikincident heeft grote psychische impact op het slachtoffer en de collega’s. Begeleiding is altijd aangewezen. Ook hiervoor is het noodzakelijk dat dit expliciet geregeld is. De arbodienst kan een rol spelen in de psychische begeleiding maar vooral ook in het opzetten van een goed, preventief, beleid. Ziekenhuizen voorzien alleen in eerste begeleiding na een incident.
Bronnen:
- antwoord op kamervragen (dierziekten en bloedtransfusies febr 2011)
- Improving the management of blood exposure accidents in the Netherlands
P.T.L. van Wijk, Radboud Universiteit, ISBN: 978-90-814-0242-2
- Protocol prikaccidenten
update 28 febr 2011 ml
