Inleiding zoönosen
Zoönosen nemen de vierde plaats in op de lijst van beroepsrisico’s bij dierenwerkers. Een zoönose is een (infectie)ziekte die van gewervelde dieren kan worden overgebracht op mensen (voluit: zoöanthroponose). Zoönosen kunnen worden veroorzaakt door diverse (vaak onzichtbare) ziekteverwekkers zoals bacteriën, virussen en parasieten, waarbij het dier zelf niet ziek hoeft te zijn. Ook kunnen de infecties van het vlees, rauwe melk, eieren, wol en uitgereden mest op de mens worden overgebracht.
Er bestaan naar schatting 850 verschillende zoönosen in de wereld; 100 daarvan komen in Nederland voor. Het gaat om lange lijsten van aandoeningen als gevolg van blootstelling aan biologische agentia. Net als bij andere beroepsinfectieziekten bestaat er nog niet veel deskundigheid op dit gebied.
Veel van deze aandoeningen openbaren zich met griepachtige verschijnselen. Dikwijls blijft het daarbij, maar soms blijkt het onschuldige griepje toch een Q-koorts te zijn, die wordt overgebracht door directe en indirecte contacten met (aborterende) runderen en schapen, met desastreuze complicaties als leverinfectie en hersenvliesontsteking.
Ongeveer 50 procent van de dierenartsen heeft wel eens een ringworminfectie (huidschimmel) opgelopen.
Zoönosen vormen een onderschat probleem, ondanks de recente aandacht in de media voor SARS, vogelgriep en blauwtong (de laatste aandoening is overigens ongevaarlijk voor mensen).
