Preventie

Uitgangspunt is het BAH-principe: de arbeidshygiënische strategie aangepast aan de eigenschappen van biologische agentia. 

Bronaanpak

Bronopsporing is bij onbekende bronnen wel aan te raden, maar vaak onbegonnen werk. Eventueel kan men de GGD en de regionale afdeling van de Voedsel en Waren Autoriteit erbij betrekken. Contactonderzoek is niet nodig.

Voorlichting 

Omdat het ziektebeeld zo op griep lijkt, is een goede voorlichting van werknemers in risicoberoepen en risicosituaties van belang, opdat deze tijdig een behandelend arts kunnen waarschuwen. Bij deze voorlichting staan de symptomen van het acute en het chronische ziektebeeld centraal. Werknemers moeten bovendien weten wanneer zij tot een extra-risicoloper-groep behoren, ook omdat zij mogelijk in aanmerking komen voor een vaccinatie tegen Q-koorts. Voorlichting aan zwangeren is een expliciete vereiste uit het Arbobesluit Zwangeren. Hygiënisch gedrag is van groot belang en moet worden toegespitst op de doelgroepen die in het bedrijf beschreven worden.

Voorbeeldbrochures: patientenbrief huisartsen (mrt 2010), leaflet STIGAS (dec 2009)

Preventie algemeen 

  • Spoor actief de extra gevoeligen op door middel van aanstellingsonderzoek, vragenlijst of open spreekuur.
  • Bij zwangerschap is extra aandacht en voorlichting noodzakelijk en verplicht.
  • Werk volgens algemeen hygiënische maatstaven.
  • Vermijd consumptie van rauwe melk of melkproducten. Dit geldt in principe ook voor onverhitte dierlijke organen en orgaanproducten. Het organisme wordt geïnactiveerd door pasteurisatie of koken.
  • Vermijd diercontacten, zeker als men tot een van de risicogroepen behoort.
  • Houd bedrijven zover mogelijk van de bewoonde wereld vandaan (in verband met het risico voor derden).
  • Houd potentiële risicoafdelingen binnen bedrijven gescheiden van de rest.

Desinfectie

  • Oppervlakken (excreta in besmette dierenverblijven): standaardmethode 2.1.1.
  • Instrumenten (excreta van besmet vee en huisdieren): standaardmethode 2.2.1.
  • Instrumenten (wel huid- of slijmvliesdoorborend): niet van toepassing.
  • Textiel (excreta van besmet vee en huisdieren): standaard methode 2.3.2.
  • Intacte huid: niet van toepassing.
  • Niet-intacte huid (wond): niet van toepassing.
  • Handen: standaardmethode 2.4.3.  

Persoonlijke beschermingsmiddelen

  • Adembescherming ( P3) in risicosituaties (dierlijke producten: melk, vlees, huiden, wol )
  • Handschoenen
  • Laboratoriumjas : reinig deze adequaat na gebruik
  • Schort
  • Vaccinatie

 Overige

  • Onderzoek (proef)dieren voor toelating en gebruik op Q-koorts; pas eventueel quarantaine toe.
  • Let bij schapenhouderijen ook op verspreiding in de omgeving (windrichting, stof).
  • Ruim placenta’s etc. snel op, en regel een goede afvoer.
  • Vermijd stofvorming bij het opruimen van ingedroogde feces, urine en nageboorterestanten.
  • Vermijd blootstelling aan aerosolen afkomstig van urine, bloed en andere excreta van potentiële besmettingsbronnen.
  • Laboratorium: Biosafety level 2 voor diagnostische, en level 3 voor de overige labs waar vermeerdering plaatsvindt of waar met geïnfecteerd weefsel wordt gemanipuleerd.
  • Persoonlijke hygiëne: handen wassen, hoesthygiëne, toilethygiëne, voedselhygiëne, uit de wind staan.
  • Organisatorisch: houdt gevoelige werknemer weg van potentiële besmettingsbron. Houdt toezicht op hygiëne.

Protocol: http://www.ehs.ufl.edu/bio/qfever/qmain.htm
Overzicht van ministerie VWS dec 2010 over risicogroepen die in aanmerking kunnen komen voor vaccinatie


upd 3/2011 ml