Q-koorts, Q-fever
Q-koorts of Q-fever wordt veroorzaakt door Coxiella burnetii, een intracellulair groeiende bacterie uit de orde der Rickettsiales. De 'Q' in Q-koorts verwijst naar het woord Query, dat vraag of vraagteken betekent. De ziekte werd in 1935 voor het eerst opgemerkt bij Australische schapenslachters en de oorzaak was toentertijd onbekend.
Q-koorts is een zoönose die wereldwijd voorkomt en waarbij koeien, schapen en geiten de belangrijkste besmettingsbronnen voor de mens vormen. Ook honden, katten en nog vele andere diersoorten kunnen voor besmetting zorgen. In Engeland wordt 5 procent van de community acquired pneumonia door de Coxiella veroorzaakt, 20 procent van het vee is daar besmet. In de Verenigde Staten van Amerika varieert het besmettingspercentage en kan oplopen tot 70%.
De bacterie is buitengewoon resistent tegen fysische invloeden en kan buiten de gastheer lange tijd infectieus blijven. Het is derhalve van groot belang om medisch kwetsbare werknemers (met hartklep- en vaatproblemen en stoornissen in de immuniteit) weg te houden uit omstandigheden waarbij er sprake is van een verhoogde kans op blootstelling.
De Coxiella burnetii wordt als potentieel bruikbaar agens voor bioterroristen gezien vanwege de toegankelijkheid, de lage infectiedosis, de stabiliteit en de mogelijkheid tot verspreiding in de vorm van een aerosol.
Tot 2007 kwamen er in Nederland, volgens de aangiften, 20 humane gevallen per jaar voor. Sedert 2007 is er in het zuiden en midden van ons land een uitbraak van Q-koorts begonnen die zich inmiddels (2010) bijna over het gehele land uitgebreid heeft. Daarbij zijn, voor zover bekend, ruim 3500 mensen besmet en 6 mensen zijn overleden (Osiris februari 2010). In geheel 2009 zijn 2361 mensen gemeld waarvan bij 2243 de diagnose bevestigd is. 6 Mensen zijn overleden. In 2010 lijkt deze verheffing uit te doven. Tot november 2010 zijn 382 mensen via de formele meldingsroutes gemeld met een 1e ziektedag in 2010. Er zijn, tot dusver, in 2010 7 sterfgevallen gerelateerd aan Q-koorts.
Omdat de ziekte bij mensen vaak asymptomatisch verloopt, of klinisch veel op griep lijkt, is aannemelijk dat het vóórkomen van de ziekte onderschat wordt. In de VS, mogelijk ook elders, is bij het vóórkomen vooral sprake van een beroepsziekte. In Nederland is dat nog niet bekend. Overigens vertonen de meeste (zieke) dieren geen ziekteverschijnselen.
Indien de ziekte in een vroeg stadium herkend wordt, is deze goed behandelbaar. Wanneer echter de diagnose Q-koorts gemist wordt, kan er een chronisch en ernstig verlopend ziektebeeld ontstaan, met uiteindelijk zelfs aantasting van o.a. de hartkleppen (endocarditis). Tevens zijn er aanwijzingen dat Q-koorts kan leiden tot premature geboorten en (recidiverende) abortus bij vrouwen.
Aannemelijk is dat er sprake is van een flinke onderrapportage en -diagnostiek. Dit lijkt in hoge mate samen te hangen met de mate waarin artsen zich bewust zijn van het bestaan van deze aandoening en van de risicosituaties (Gageldonk-Lafeber 2003). Nu veel (huis)artsen en patiënten zich van het ziektebeeld bewust zijn geworden, draagt dit mogelijk ook bij aan het sterk toegenomen aantal meldingen. In principe moeten bij het RIVM alleen acute (minder dan 6 maand geleden ontstaan) gevallen met klinische verschijnselen gemeld worden.
Over de aanpak van de overheid verscheen 22 november een evaluatierapport van de Commissie van Dijk dat zeer lezenswaardig is.
(update nov 2010)
