Symptomen

De meeste infecties (meer dan 50 procent-60 procent) verlopen subklinisch of als griepachtige ziekte. De symptomen verschillen in frequentie per land. Verschillen in transmissieroutes, maar ook de verschillen in stammen kunnen de oorzaak zijn van de uiteenlopende symptomatologie. Aangezien het een gegeneraliseerde infectie is met hematogene verspreiding binnen de gastheer, kunnen symptomen zich in principe in alle orgaansystemen voordoen. Raoult (2001) vond bij 47-63 procent van een patiëntengroep een pneumonie, bij 60 procent hepatitis en bij 14 procent alleen koorts.

Bij klinisch manifeste gevallen is er meestal een acuut begin met heftige hoofdpijn (75-91 procent), hoge, vaak remitterende koorts (temperatuur schommelend tussen 38,5 en 40,5 graden Celsius). Daarbij kunnen optreden: koude rillingen, hoofdpijn (53-67 procent), spierpijn (38-73 procent), anorexie, misselijkheid, braken, diarree en relatieve bradycardie. Braken en diarree kunnen bij kinderen soms leiden tot uitdroging. Niet-productieve hoest en thoracale pijn wijzen - vaak zonder duidelijke afwijkingen bij fysische diagnostiek - op een pneumonie. De (granulomateuze) hepatitis die (bij 40 procent) kan optreden, verloopt meestal subklinisch. Ook endocarditis kan in de acute fase reeds voorkomen. Bij chronische verlopende Q-koorts kunnen alle genoemde symptomen tot tien jaar na de infectie optreden.

Verder zijn bij Q-koorts beschreven: thrombophlebitis, epididymo-orchitis, uveitis, neuritis optica, pleuritis, pericarditis, myocarditis, endocarditis, glomerulo-nefritis, meningo-encephalitis, gegeneraliseerde lymfadenopathie, visuele en auditieve hallucinaties en typisch exantheem.

Meestal geneest Q-koorts spontaan na een à twee weken. Bij minder dan 5 procent van de mensen met klinische verschijnselen is een ziekenhuisopname noodzakelijk. De ziekteduur bedraagt twee dagen tot twee weken. Bij 10 procent van de gevallen is chronische vermoeidheid direct aansluitend op de acute fase beschreven (Ayres, 1998). Ook in ons land wordt dit regelmatig gemeld. Als er een cardiale aandoening optreedt, is er - ondanks behandeling - sprake van een hoge letaliteit (24 procent). Chronische verschijnselen (vooral endocarditis) volgen na één tot achttien maanden na de infectie (gemiddeld 6 maanden). Zelden is er sprake van een dodelijke afloop (de sterfte bedraagt 2 procent bij onbehandelde gevallen). Toch worden in Nederland tot 2010 al 6 doden vermeld. Bij bijna al deze sterfgevallen was er sprake van onderliggende medische problematiek.

Hoewel de symptomatologie per land in vóórkomen kan wisselen willen we u onderstaande gegevens niet onthouden. 
 

Tabel symptomen bij Q-fever pneumonie (Marrie 2003) 

Symptoom   percentage vóórkomen
Koorts 82-100
Anorexia 75-80
Hoofdpijn 35-100
Hoest 60-70
Rillingen 40-88
Pleurale  borstpijn 50-60
Nekstijfheid 30-40
Productieve hoest 30-40
Spierpijn 30-40
Gewrichtspijn 30-40
Verwardheid 30-40
Crepitaties 30-40

In een Nederlands onderzoek vond men bij 73 patiënten met een serologisch bevestigde Q-koorts de volgende symptomen (Karagianis ea 2009)

Symptoom   percentage vóórkomen
Koorts > 38 gr C 25,4
Malaise 38,8
Hoofdpijn 40,6
Hoest 37,3
Ernstige vermoeidheid 42,7
Kortademigheid 21,5
Druk of pijn op de borst 9,4
Diarree 22,4
Pneumonie 6,4
Gewrichtspijn 26,5
Nachtelijk zweten 30,8
Geelzucht, hepatitis 1,6
Gewichtsverlies 10,8

 


 

upd. 2/2010