Transmissie
Het kennen, beschrijven en onderzoeken van de exacte transmissiewegen is vanuit bedrijfsgeneeskundig perspectief van groot belang: het vormt immers de basis van de preventieve aanpak. Helaas is er hierover nog veel onbekend. Bekend is inmiddels wel, van andere grote uitbraken, dat ver waaiend stof tot in de verre omgeving van de boerderijen een grote rol lijkt te spelen. Voor een werknemer die dicht op de bronnen zit kunnen hele andere transmissiewegen een rol spelen. Zoals het aanwezig zijn bij het lammeren. Ook kan er mens op mens besmetting plaatsvinden als een met coxiella besmette zwangere vrouw bevalt; ook dan komen er grote hoeveelheden coxiella's in de directe omgeving vrij. Dat betekent een risico voor personeel dat bevallingen doet.
Bronnen
De Coxiella burnetii wordt vooral aangetroffen in geiten, schapen en koeien. Maar ook in honden, katten, varkens, paarden, ijsberen, vossen, moeflons, kamelen, apen, buffels, hert-achtigen, kippen, kalkoenen, kwartels, wilde bruine ratten, konijnen, hamsters, duiven, ganzen, eenden, en andere watervogels en mogelijk in vissen en amfibieën. Coxiella kan bewust zijn ingebracht bij laboratorium-(knaag)dieren zoals ratten, konijnen, hamsters en Guinese biggetjes.
Teken brengen de ziekte van dier naar dier over. Ook naar de mens is dit sporadisch beschreven. In Nederland is de coxiella nog niet in teken aangetoond. De bacterie is daarentegen wel in de feces van de teken aantoonbaar. Dit zou dus als consequentie kunnen hebben dat een tekenbeet niet noodzakelijk is voor een infectie. Ook luizen, mijten en vliegen kunnen coxiella's bij zich dragen. Het is echter geheel onbekend in hoeverre deze enige rol van belang spelen bij de transmissie.
Volgens onderzoek uit 1992 waren circa 10% van de katten besmet in ons land. Hoe hoog dat percentage nu is is onbekend. Mogelijk dat katten via het eten van muizen besmet worden. Waarschijnlijk is er alleen een sterk verhoogde besmettingkans tijdens de partus van een besmette kat. In een casus bij een bedrijf in de USA zijn circa 16 besmette werknemers beschreven waarbij er een relatie werd gelegd met een nest katjes dat op het bedrijfsterrein ter wereld kwam.
Duidelijk is in ieder geval dat nader onderzoek naar de verschillende transmissiewegen wenselijk is.
De ziekteverschijnselen bij dieren variëren van symptoomloos (dit is meestal het geval, en dan dus niet te herkennen) tot koorts, granulomen, reproductiestoornissen (infertiliteit, abortus, laag geboortegewicht en mastitis) en de dood toe. De eerste aanpak van de Nederlandse overheid ging dan ook uit van alarmering alleen bij meer dan 5% verwerpingen (spontane abortus). Vooral bij grote bedrijven kunnen dan al tientallen geiten besmet zijn. Daarna ging men bepalingen doen aan gepoolde melk en in de huidige fase (2010) wordt veel met swaps gewerkt of ruimt men alle zwangere geiten omdat die in een latere fase toch ook besmet kunnen worden. Bovendien werden eerst geen vleesschapen in het beleid meegenomen, maar na een subgroep van besmette bezoekers aan een schapendag, heeft men nu ook daar besmettingen aangetoond en het beleid daarop aangepast.
Het overgrote deel van besmette dieren is dus niet herkenbaar als besmet omdat de ziekte meestal symptoomloos verloopt. Al deze dieren zijn echter wel besmettelijk zolang zij de bacterie bij zich dragen, of ze nu symptomen hebben of niet. Het agens concentreert zich vooral in de placenta. Dierlijke excreta kunnen door de grote resistentie van C.burnetii langdurig besmettelijk zijn (urine, feces, tranen, melk en nageboortenproducten zoals vruchtwater, placenta en afgestoten vrucht). Deze substanties kunnen ook in het stro en andere materialen van de huisvesting van de besmette dieren aanwezig zijn. Vanwege de huidige potstalmethodiek kan er een enorme concentratie van potentieel besmet materiaal ontstaan. In tegenstelling tot Nederland is het in Australië verplicht afgesloten en aparte lammerruimten te hebben.
Christie (1974) beschreef de volgende overlevingstijden voor het agens
Deze illustratie is afkomstig van Hendrik-Jan Roest, Centraal Veterinair Instituut van Wageningen UR

- van zeven tot tien maanden op muren bij 15-20 °C
- op vlees in koude opslag: meer dan een maand
- in afgeroomde melk bij kamertemperatuur: meer dan 40 maanden
- in opgedroogd sputum: tot 30 dagen
- in opgedroogde urine van guinese biggetjes: 49 dagen
- in wol bij 4-6 °C: twaalf tot zestien maanden.
Menselijke dragers kunnen het agens mogelijk tijdens een operatieve ingreep overdragen. Daarbij moet men vooral aan een ingreep aan de uterus denken. Hier kan het agens langdurig aanwezig blijven, ook zonder dat de vrouw enige klacht heeft. Opvallend is dat de transmissiekansen per land zo uiteenlopen. Dit hangt mogelijk samen met de verschillende transmissieroutes, en misschien ook met de verschillende stammen (strains). De besmettingsdosis is laag, enkele organismen zijn voldoende. Voor de bedrijfsarts, moet vanuit de preventiebenadering rekening gehouden worden dat elk potentieel vatbaar en/of besmette diersoort als bron kan optreden.
Porte de sortie
- uitscheidingsorganen: anus, urethra, uiers, ogen
- genitaliën, placenta
- letsels met bloedingen in bacteremische fase?
- Airborn stof.
Voornamelijk door opgedroogd placenta weefsel, vruchtwater en excreta van geïnfecteerde dieren. Airborn stof kan sporen van C. burnetii bevatten. Verder is overdracht via zwaar besmette werkkleding, stro en schapenwol beschreven. Hete droge zomers zouden aan de stofvorming kunnen bijdragen. Bij de Nederlandse uitbraak in 2007 was er sprake van een langdurige droge periode in het voorjaar, waarbij er veel droog, besmet stof was ontstaan. Het betrof vooral geitenboerderijen. Echter in de jaren daarna vond men gedurende het hele seizoen nieuwe gevallen, wel met een concentratie in het voorjaar. Hoewel vochtige deeltjes minder zweven in de werkomgeving kunnen er toch aerosolen ontstaan zeker bij mechanische bewerking ( of gebruik blaasapparatuur). Daarnaast kunnen vochtige deeltjes drogen en tot stof worden bij aanwezige warmtebronnen als verlichting, stalverwarming en uitlaten van aanwezige transportmiddelen. Dit drogen heel snel gebeuren. Besmet stro gebruikt als verpakkingsmateriaal heeft wel eens tot besmetting geleid bij de uitpakkers. - Aerosolen.
Fijne druppeltjes (fecaal vocht, vruchtwater, urine, besmette melk) in de lucht die coxiella's bevatten kunnen ook via de longen besmetting veroorzaken. Dit kan in laboratoria gebeuren maar ook in de praktijk bij geboorten en manipuleren van bijvoorbeeld besmette mest. Gebruik van hogedrukspuiten en blazers moet om deze reden vermeden worden. Dat melk minder besmettelijk is in vergelijking met de andere vochten wordt wel eens toegeschreven aan het hoge gehalte antistoffen dat ook in de melk voorkomt. - Contact.
Mogelijk dat ook sputum en urine van patiënten besmettelijk is. Besmetting van mens op mens is hierbij een enkele maal beschreven. Directe overdracht van mens op mens door dagelijks contact is zeer onwaarschijnlijk. - Voeding.
Het eten van rauwe besmette melk(-producten) van koeien en geiten, wordt als bron gezien. Als erg besmettelijk wordt dit overigens niet beschouwd, omdat ook bij grote partijen melk waarvan de besmetting bekend is, maar enkele ziektegevallen beschreven zijn. Vlees wordt niet als bron gezien - Verticaal.
Perinatale besmetting van moeder op kind is bij de mens beschreven (Stein 1988). Ook acht men besmetting via de moedermelk mogelijk. - Vectoren.
Teken spelen bij dieren een rol bij de transmissie. In hun feces kunnen soms C. Burnetii worden aangetoond. Er wordt gewag gemaakt van een overlevingsduur van meer dan 1 ½ jaar in die feces. Een tekenbeet zou dus niet noodzakelijk hoeven te zijn. Ook kunnen vliegen, kakkerlakken en luizen als drager optreden. Hun relevantie als vector is onbekend. - Hematogeen.
Vanuit bloedmonsters (in veterinaire, maar ook humane laboratoria) via aerogene weg (bijvoorbeeld aerosolvorming bij het centrifugeren van bloed) en de parentale inoculatie. Het agens is aanwezig in alle weefsels van besmette dieren en mensen. En in sommige weefsels, zoals de placenta, in sterk verhoogde mate (±1012 bacteriën). Er is in ieder geval bij mens en dier een hematogene fase waarbij er een verhoogde aanwezigheid in het bloed is. Met de huidige ruime verspreiding van besmette mensen zal men bij bloedtransfusies, operaties en bevallingen met dit risico rekening moeten gaan houden. In donorbloed zijn reeds enkele PCR-positieve monsters aangetroffen. In Duitsland zijn in de 80-tiger jaren 4 werknemers besmet tijdens een autopsie van een Q-feverpatiënt. - Seksuele transmissie
(van mens op mens) is in incidentele gevallen beschreven (Milazzo 2001). Bij muizen is het door labonderzoek aangetoond - Via een niet-intacte huid.
Mogelijk vindt ook besmetting plaats via verwondingen, kleine sneetjes e.d.
- Luchtwegen: inhalatie van gecontamineerd stof, afkomstig van stallen, weilanden, ruwe wol, huiden, en aerosolen van bloed, sputum, urine en feces.
- Oraal: besmette rauwe melk en melkproducten.
- Via de huid, als deze zijn integriteit door bijvoorbeeld kleine verwondingen heeft verloren.
